Een wijze les voor kabouter Floep,
*****
Vanmorgen ga ik vlug opschieten, zei moeder tegen zichzelf.
Als ik klaar ben met het werk, kan ik nog eventjes naar
de markt om groenten en fruit te kopen.
Daarom droogde de kopjesdoek vlugger dan anders,
veegde het vegertje wat harder dan gewoonlijk
en wapperde de stofdoek wat vlijtiger in het rond.
Om half elf precies kwam moeder de markt op,
met in haar hand een lege boodschappentas.
Op de markt was het heel druk.
Er waren veel boeren en boerinnen, die iets te verkopen hadden.
En er waren ook veel mensen, die inkopen kwamen doen, net als moeder.
Er was trouwens nog iets op de markt.
Maar dat wist geen mens.
Het was Floep, een klein kaboutertje,
dat stilletjes was weggelopen uit het kabouterbos.
Het was helemaal zo netjes niet,
dat Floep daar rondliep op de markt
De kabouterkoning had hem streng verboden,
om overdag naar de mensen te gaan.
Maar Floep stoorde zich niet aan wat de koning zei.
Hij dacht: ik zal wel zorgen, dat de mensen me niet zien.
Een kabouter als ik, laat zich toch in een-twee-drie niet vangen!
Zo scharrelde dat kaboutertje daar rond.
Hij snuffelde hier en keek eens daar,
maar hij zorgde ervoor dat hij telkens
goed verborgen zat achter een kist of een mand
en dat de mensen hem niet konden zien.
Floep vond dat het helemaal niet moeilijk was.
En het verbod van de koning, om overdag niet naar de mensen te gaan,
begon hij hoe langer hoe flauwer te vinden.
Toen kwam er een oud boertje aan.
Hij liep een beetje krom en daarom liep hij met zijn neus naar de grond.
Op zijn neus stond een brilletje.
En door dat brilletje kon hij heel erg goed zien.
Wat zag dat oude boertje dan wel, helemaal in een hoekje,
achter een zak met aardappelen?
Floep, het kaboutertje!
Het boertje stak zijn hand uit om hem te pakken.
Maar Floep was gelukkig net ietsje sneller dan hij.
Hij maakte dat hij wegkwam en sprong van de schrik in een grote,
lege boodschappentas.
Het was de tas van moeder,
die morgen zo vlug met het werk opgeschoten was.
Het boertje bleef nog even zoeken en rondkijken.
"Wat zoek je toch?" vroeg de boerin.
"Ik zoek een kaboutertje," zei het oude boertje.
"Haha," lachte de boerin, "wat een oud dom boertje.
Kabouters bestaan niet eens.
" "Swelles," zei het oude boertje.
"Maar als ze bestaan, komen ze overdag toch niet tevoorschijn"
riep de boerin en toen moest ze haastig
weer appels laten wegen ,voor haar stonden ook nog klanten.
Maar Floep zat dus veilig in moeders boodschappentas.
Er kwamen ook nog spruitjes in de tas te zitten.
En een bloemkool. En een struikje andijvie.
Ziezo, dacht moeder. Nu heb ik genoeg.
Ze wilde juist naar huis toe gaan, toen ze een kar vol mooie mandarijntjes zag.
"Ik ga de kinderen eens verrassen," zei moeder.
"Mandarijntjes zijn wel duur, maar ze zijn ook erg lekker.

Vanmiddag na tafel mogen ze er allemaal eentje hebben."
Ze kocht de mandarijntjes en stopte ze helemaal onderin de tas.
Speciaal voor de verrassing.
Toen ging ze haastig naar huis.
In de keuken haalde ze de groenten uit de tas en ook de appels.
Maar de mandarijntjes liet ze erin zitten.
Ze deed de ritssluiting dicht en zette de tas in de huiskamer, achter de kast.
"Ziezo," zei ze vrolijk, toen ze die middag gegeten hadden.
"Ik heb nou nog een verrassing voor jullie. Pak mijn tas maar eens."
Daar kwamen de kinderen al mee aangedragen.
Ze trokken de ritssluiting open,
hielde de tas ondersteboven en rollebollebol,
kwamen de mandarijntjes eruit gerold.
Maar daartussen spartelde Floep, de kleine kabouter
en je begrijpt dat de kinderen die meteen te pakken hadden.

"O moeder,, wat een leuke verrassing," riepen ze.
"Hoe bent u aan dit echte kaboutertje gekomen?
Kon u dat kopen, in de winkel?
Kijk eens, hij heeft een klein puntbaardje.
En hij knippert echt met zijn oogjes.
Kan hij ook praten, moeder?
En zou hij ook kunnen toveren?"
O, wat riepen en schreeuwden de kinderen opgewonden door elkaar!
En of moeder nu al zei: "Ik weet van dat kaboutertje niets af jongens.
Ik had een heel andere verrassing bedacht.
Het waren de mandarijntjes," niemand luisterde ernaar.
Ze kwamen over het kaboutertje niet uitgeroepen.
"Wat is hij klein hè? En wat heeft hij mooie kleertjes aan.
Zou hij ook kunnen lachen? Zou hij.... o kijk eens.... hij.... hij huilt....!"
En ja hoor, dikke tranen rolden er over de wangetjes van kabouter Floep.
Zijn lipjes trilden zo hard, dat zijn puntbaardje ervan op en neer wipte.
"Waarom huilt hij nou moeder?
Zou hij ziek zijn?
Heeft u een pepermuntje?
Misschien dat hij buikpijn heeft!" riepen de kinderen.
Maar Floep zette zijn handjes aan zijn mond en riep:
"Neenee, dat is het niet. Ik huil, omdat ik gevangen ben.
De kabouterkoning heeft me nog wel gewaarschuwd.
Ik mocht overdag niet naar de mensen gaan.
Maar ik ben ongehoorzaam geweest en nu ben ik gevangen. Ihi.... ihi...."
Wat keken de kinderen beteuterd.
Op zo'n manier ging voor hun de pret van de verrassing er ook af.
"Zullen we je dan weer vrijlaten?" vroegen ze.
"Dan kun je weer naar het kabouterbos terug gaan."
"Jaja," riep het kaboutertje. "Dat zou heel lief van jullie zijn."
Toen brachten ze Floep naar de vensterbank en deden het raam open.
"Ik dank jullie wel," zei Floep. "Jullie zijn lieve kinderen.
Maar ik ga overdag toch nooit meer naar de mensen.
Stel je voor, dat ik eens terecht bij kinderen, die me gevangen houden!
Nou, dag hoor en honderd maal bedankt."
Hup, weg was Floep. De kinderen deden het raam dicht.
Met spijtige gezichtjes.
Maar moeder troostte: "Kom jongens, je moet niet treurig zijn,
omdat je het kaboutertje hebt blij gemaakt.
Lach maar weer gauw en kijk eens naar de tafel:
daar liggen de mandarijntjes nog!"
Toen gingen ze allemaal gauw voor hun bordje zitten
en smulden van de verrassing, die moeder had meegebracht.
Dat was ook heel fijn.
Maar toch: een mandarijntje is nu eenmaal geen kabouter!